SciComNL

Het boek

Dat begint kort en krachtig: wil je als wetenschapscommunicator je werk goed doen dan ligt je focus op de volgende drie zaken: een helder doel, ken je publiek/toehoorders en vertel een goed verhaal. Maar dan volgen er 25 hoofdstukken waarin de auteur de belangrijkste zaken voor goede wetenschapscommunicatie uit de doeken doet. En dat doet hij met wisselend succes.

De inhoud

Het hoofdstuk over boodschap en metafoor (H7), framing (H12) en betrokkenheid (H14) zijn even helder als goed onderbouwd- soms wetenschappelijk, soms uit persoonlijke ervaring. En het hoofdstuk over overtuigingen (H17) kan verhelderend werken voor de wetenschappers die dit boek lezen.

Maar bij de overige hoofdstukken ontstaan vraagtekens, gemengde gevoelens en soms zelfs irritaties. Zoals in hoofdstuk 2 waarin duidelijk wordt dat het publiek geen vertrouwen meer heeft in instituties door slechte wetenschapscommunicatie (Is dat zo? Hoe zit het dan met de hoge mate van toegang tot allerlei informatie?). Nog zo’n vraagteken: hoofdstuk 18 waar risicocommunicatie ineens een extra vakgebied wordt (Is risico niet een factor waarmee je rekening houdt als de je boodschap brengt in de omgeving waarin je je verhaal doet?). Gemengde gevoelens bij hoofdstuk 15 dat beleid en politiek bespreekt en dat slechts één woord oproept: ‘Duh!’. Of hoofdstuk 20 dat weliswaar duidelijk is, maar geen punt maakt. En hoofdstuk 22, dat leest als een extra stuk van hoofdstuk 12 en leest als meer, maar niet zozeer meer nuttige informatie. Of het steeds aanhalen van dezelfde voorbeelden als onderbouwing van de wetenschappelijke bevindingen: genetisch gemanipuleerd voedsel, klimaatverandering en vaccinatie… En zijn toch wel meer voorbeelden? En misschien dan ook succesverhalen? Tot slot de klap op de vuurpijl: de uitspraak in hoofdstuk 24 (p. 214) ‘… because fundamentally, science communication is neither science, nor journalism, nor straightforward communication.’ Hier trok ik wit weg, want het boek begint met precies dit: vertel je verhaal helder.

De schrijver
Craig Cormick, auteur van diverse boeken op dit vlak, wordt in Australië gezien als een autoriteit op het gebied van wetenschapscommunicatie. Zijn staat van dienst is indrukwekkend, evenals zijn ervaring (meer dan 30 jaar). Dat hij vaker heeft geschreven, is goed te merken: nergens in het boek krijg je het gevoel dat je met iemand te maken hebt die zijn kennis en ervaring niet wil delen. Sterker nog, hij schrijft met humor, alhoewel die tegen het einde wat sleets wordt. Ook is het een dunne lijn tussen wetenschap en ervaring, maar dat maakt eens te meer duidelijk dat beide een waardevolle en relevante informatiebron zijn.

Leermomenten en tip
Met stip op 1: hoofdstuk 24 waarin haarfijn uit de doeken wordt gedaan dat maatschappelijk onderzoek moeilijk te reproduceren is en dat veel van deze onderzoeken worden uitgevoerd in de VS onder studenten en deze zijn niet representatief voor andere mensen en onderzoeken. Daarmee bijna een hoofdstuk met een existentieel tintje!

En omdat het kopje suggereert dat ik er meerdere heb gehad, op nummer 2 hoofdstuk 14 waarin duidelijk wordt dan de gemiddelde Nederlands overheidsinstelling nog een lange weg te gaan heeft als het gaat om participatie en samenwerking.

Dé tip is een online Debunking Handboek beschikbaar (scrol naar beneden voor de Nederlandse versie) en lees vooral dit artikel op Slate.

Lees dit vooral om een welles-nietes situatie te voorkomen – kan handig zijn bij controversiële onderwerpen of uitkomsten.

De terugblik
Wat ik mis in het boek, zijn dialoog en context. De eerste omdat dit een fundamenteel andere manier is van communiceren dan een discussie; de tweede omdat deze allesbepalend kan zijn voor het succes van de communicatie – zowel vooraf als achteraf.

Ook heb ik een mening over wetenschapscommunicatie an sich; waarom wordt dit toch gezien als een status aparte, zowel binnen de wetenschap als binnen communicatie?

En wat doet de auteur om de lezer zelfkritisch en creatief te laten zijn c.q. worden? Daarvoor heb je andere boeken nodig zoals Strategy: Process, Content, Context waarin schrijvers Bob de Wit en Ron Meyer de lezer (student) aanmoedigen om creatief en onconventioneel te denken en om te gaan met conflicterende visies en belangen. Of Als de Leuning Beweegt (Goos Geursen, 2006), waarin de lezer leert niet (nog) meer structuur te bouwen of bieden, maar om de krachten in een systeem te gebruiken.

Conclusie
Het is duidelijk dat dit boek bedoeld is voor wetenschappers en mensen die graag wetenschap willen delen met anderen. Voor studenten Science Communication of gerelateerde studies is dit boek een leesbare checklist. Het geeft een goed overzicht en handige tips maar laat ook op het eind weten niet de pretentie te hebben volledig te zijn.

Of dit boek echt iets toevoegt of de wereld verandert omdat de communicatie verbetert? Ik betwijfel het. Goede communicatie begint namelijk bij het luisteren om te begrijpen; succesvolle communicatie laat ruimte voor andere visies. Pas dit maar eens toe op het huidige Coronabeleid…

Science Poster Design Guide – A practical guide for designing science posters and visuals, Engels, ISBN: 978-94-6236-174-4, 1e druk, 148 pagina’s, 35 euro (via Boom Uitgevers)

Door Serah Hoeks, bioloog en wetenschapscommunicator 

De Science Poster Design Guide van Dirma Janse is gericht op onderzoekers die een goede poster van hun onderzoek willen ontwerpen. Het beschrijft stap voor stap hoe je te werk kunt gaan, van het verzamelen van informatie tot aan het printklaar maken van de poster. Als wetenschapscommunicator kan je het stappenplan uit dit boek ook prima toepassen op andere visuele communicatiemiddelen. Denk bijvoorbeeld aan de informatiepanelen in musea of dierentuinen. 

In totaal heeft het boek acht stappen: 

  1. Vragen stellen en informatie/inhoud verzamelen 
    2. Doelgroep bepalen 
    3. Een samenhangend verhaal maken 
    4. Een titel bedenken 
    5. Een schets maken 
    6. Ontwerptips (hoe maak je het ontwerp en met welke tools) 
    7. Data visualiseren 
    8. Klaarmaken voor de printer 

Elke stap heeft een eigen hoofdstuk, maar de hoofdstukken over de voorbereiding voor je met ontwerpen kunt beginnen (1 tot en met 4) zijn heel kort. Het boek gaat immers over posters ontwerpen, niet over hoe je pakkende tekst schrijft of over hoe je je poster aanpast aan de doelgroep. Voor advies over tekst tipt Janse wel andere boeken, websites en personen die er meer verstand van hebben. 

De stappen 5, 6 en 7 vormen het leeuwendeel van het boek. Dit zijn dan ook de echte design-stappen. In deze hoofdstukken gaat Janse uitgebreid in op de mogelijkheden, keuzes en computerprogramma’s die komen kijken bij schetsen, ontwerpen en data visualiseren. Daarbij houdt ze goed rekening met mensen die zelden of nooit bezig zijn met ontwerpen. Ze legt relevante vaktaal en het belang van bepaalde keuzes uit, bijvoorbeeld hoe je geschikte kleuren en lettertypes kiest, wat DPI/PPI is en waarom het belangrijk is, en wat de voor- en nadelen zijn van allerlei programma’s en websites die je bij elke stap kunt gebruiken. De uitleg wordt geïllustreerd met verhelderende figuren en voorbeelden.  

Deze uitgebreide uitleg zorgt er wel voor dat het in eerste instantie wat overweldigend over kan komen voor wie voor het eerst een poster gaat ontwerpen. Het geeft dan ook veel stof tot nadenken als je ineens geconfronteerd wordt met tientallen programma’s en websites. Maar als je alles eenmaal gelezen hebt, kan je dankzij de vele informatieve tussenkopjes heel makkelijk informatie terugvinden. 

In de hoofdstukken zelf wordt niet direct duidelijk hoe de praktische toepassing van de stappen eruit ziet. Dat lost Janse op met een to-dolijst en een voorbeeldproject met toelichting bij de keuzes in elke stap. Helaas staan die dus niet in bijbehorend hoofdstuk, maar in een apart onderdeel aan het eind van het boek. Je zit daardoor bij het lezen van elke stap flink te bladeren om bijbehorende to-do’s en het praktijkvoorbeeld te vinden.  

Bij het boek hoort ook de website www.sciencedesignguide.com en dat is wel erg handig, omdat Janse veelvuldig verwijst naar websites met tips, tutorials, tools en inspirerende voorbeelden. Via de website (onder het onderdeel Guide > Resources) kan je die websites makkelijk vinden. Dat bespaart heel wat overtypen. De website heeft overigens nog wel wat kinderziektes: sommige links werken niet, er zijn wat knip-en-plakfoutjes zichtbaar, en het keuzemenu met subpagina’s verschijnt soms plotseling als je met de muis beweegt. 

Conclusie: de indeling van de Science Poster Design Guide had wat praktischer gekund, maar je kunt er wel makkelijk informatie in terugvinden en het boek bevat veel tips en informatie om een goede poster te ontwerpen. De titel ‘guide’ waardig. 

We zien je graag in onze online community's!

Neem contact op

Wil je actief lid worden, of heb je ideeën, vragen of opmerkingen? Mail ons op bestuur@scicom.nl.

Ga naar onze sociale media kanalen om je te verbinden met de wetcom community:

Copyright | Privacy | Webdesign door Liesbeth Smit / The Online Scientist

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram